‘Dat is een meer,’ zei Sam. ‘Dat is beslist een meer.’
‘Onvoorstelbaar dat we niet eens wisten dat het er was,’ zei Dekka.
De zon was nog steeds niet op, maar in het parelgrijze ochtendlicht zagen ze een lange helling die naar een grote watermassa afdaalde. De grootste die Sam, op de zee na, ooit had gezien.
Er groeiden plukjes dor gras. Hier en daar stonden grillige, onvolgroeide dennenbomen, maar de oever zelf werd gevormd door grote, op en naast elkaar liggende rotsblokken, af en toe onderbroken door smalle, twijfelachtige zandstrandjes.
Helemaal aan het eind van hun blikveld zagen ze een klein haventje met misschien vijfentwintig boten langs de steiger.
De muur ging dwars door het meer heen, maar het gedeelte aan deze kant bevatte meer water dan de kinderen van Perdido Beach ooit nodig zouden hebben.
‘Denk je dat het drinkbaar is?’ vroeg Dekka zich af.
‘Daar gaan we nu achter komen,’ zei Sam. Hij rende de heuvel af naar de oever, voorzichtig dat hij niet struikelde, maar vol verlangen om het meer te kunnen zien en proeven. Het zou wreed zijn om na deze vondst te merken dat het zout water was. Het zou de zoveelste gemene truc zijn, de zoveelste teleurstelling. Om nog maar te zwijgen van het feit dat het hun ondergang kon betekenen.
Met de anderen op zijn hielen bereikte hij de oever van het meer. De bleke rotsen waren wiebelig en onvast en hij liep er behoedzaam overheen.
Hij trok zijn schoenen uit en dook toen impulsief met een platte boog het water in.
Het was ondiep bij de oever en hij schaafde zijn borst aan de rotsen onder water, maar twee slagen verder was het al zo diep dat hij niet meer kon staan.
Sam nam een grote teug. Watertrappelend draaide hij zich om en zag Jack, Dekka en Toto onzeker op de rotsen staan. ‘Dames en heren,’ zei Sam met een grote grijns op zijn gezicht, ‘we hebben zoet water gevonden.’
Binnen vijf seconden waren de andere drie hem achterna gesprongen.
‘Het is water!’ riep Jack.
‘Het is zo ontzettend water!’ bevestigde Dekka.
‘Ze spreekt de waarheid, Spidey!’ zei Toto.
Sam maakte een koprol van vreugde. Het meer was fris maar niet ijskoud. Het surfersgedeelte van zijn hersenen berekende dat hij het met een 3/2 wetsuit al heerlijk warm gehad zou hebben.
Hij dronk nog wat meer water en zwom naar zijn vrienden.
‘Zoet water,’ zei Dekka. ‘Koud zoet water. Brrr.’
Sam liet zijn blik langs de oever glijden. ‘Dit is geen goede plek om een stad op te zetten. We hebben iets vlakkers nodig. En dan moeten we heel goed oppassen dat het riool niet ons drinkwater in stroomt. Ik neem aan dat we…’ Hij zweeg. Albert en Edilio moesten het verder maar uitzoeken. Hij had gedaan wat hij moest doen.
‘Ik heb boten gezien,’ merkte Jack op. ‘Ik vraag me af of er vis zit.’
Toto zei: ‘Vis, ja, vis.’
‘Weet jij daar meer van?’ vroeg Sam aan hem.
‘Mijn vader nam me altijd mee vissen.’ Toen, alsof zijn eigen woorden hem verbaasden, keek hij om zich heen naar het Spideyhoofd dat er niet meer was en zei: ‘Dit is dat meer niet, hè? Nee, dat was Lake Isabella.’
‘Oké,’ zei Dekka geduldig. ‘Zaten er vissen in dat meer?’
‘Forel,’ zei Toto. ‘Baars. Vis.’
‘Als er hengels en dat soort dingen in die boten liggen, dan zit er dus vis,’ zei Jack.
‘Het is maar zevenhonderd meter of zo. We kunnen het zwemmen,’ zei Sam.
‘Jij mag zevenhonderd meter zwemmen,’ zei Dekka. ‘Ik ga lopen.’
Ze klommen het water uit, Sam met grote tegenzin. Het was inspirerend, deze nieuwe, nog onontdekte watermassa. Wie wist wat ze in of rond het meer nog zouden tegenkomen?
Maar hij begreep ook dat Dekka en de anderen misschien geen zin hadden in een lange, koude zwemtocht.
De oever bestond uit een reeks bochten, als de rand van een kanten onderlegger, gemaakt van kleine zandstrandjes en rotsachtige uitlopers. Ze vonden al snel een pad en liepen lachend en zorgeloos babbelend verder.
Als hij logisch nadacht wist Sam dat ze zonder benzine – en veel ook – nooit genoeg water naar…
Hij bleef stokstijf staan. ‘Jachthavens,’ zei hij. Er liep een rilling over zijn rug die niets met de temperatuur te maken had. ‘Jachthavens. Weet je wat ze daar hebben?’
‘Boten?’ opperde Jack, alsof hij bang was dat hij het verkeerde antwoord gaf.
‘Boten,’ grijnsde Sam. ‘Zeilboten misschien. Maar weet je wat nog meer? Motorboten. Jetski’s.’
‘Wou je jetskiën?’
‘Waar vaart een jetski op, beste Jack?’
‘Op water, zou ik zeggen,’ zei Dekka.
‘Op benzine!’ riep Jack.
Sam gaf hem een klap op zijn schouder. ‘Bingo! Een jachthaven is geen jachthaven als er geen brandstof is.’
Hij grijnsde en rende richting de jachthaven. Een knagend stemmetje in zijn achterhoofd waarschuwde dat hij niet moest hopen, geen positief antwoord moest verwachten. Het is de fakz, zei het stemmetje.
Het is nog steeds de fakz.
Maar na zo veel pijn, zo veel teleurstellingen en zo veel gruwelen moest het toch wel tijd zijn voor goed nieuws?
Dat moest wel.
Lana deed haar ogen open.
Patrick likte over haar gezicht. Wat waarschijnlijk de reden was waarom ze haar ogen open had gedaan.
Er lag iets zwaars op haar borst. Een hoofd. Lang, donker haar.
Ze duwde het weg, waarna het hoofd kreunde en zei: ‘Ik ben wakker.’
Sanjit ging rechtop zitten, keek haar aan en veegde wat kwijl uit zijn mondhoek.
Lana lag op het strand. De zon was op, maar nog niet over de bergen heen. Ze wist niet hoe ze hier terecht was gekomen. Instinctief tastte ze naar haar pistool. Het zat niet in de band van haar broek. Het was verstrikt geraakt in de deken.
‘Hoe ben ik hier gekomen?’
‘Ik heb je gebracht.’
Dat liet Lana even op zich inwerken. ‘Waarom?’ vroeg ze achterdochtig.
‘Je was flauwgevallen.’
Lana haalde haar handen door haar warrige haar. Ze veegde haar lippen af en trok een grimas door de vieze smaak in haar mond. ‘Heb je water bij je?’
‘Helaas niet, nee,’ zei Sanjit.
Ze zuchtte en keek hem vermoeid aan. ‘Wat is dat toch met jou? Je hebt niet eens een deken,’ zei Lana.
‘Ik was niet van plan om te gaan slapen.’
‘Zeg alsjeblieft niet dat je hebt gekeken hoe ik lag te slapen, want dan moet ik kotsen.’
Sanjit grijnsde. ‘Dat heb ik wel gedaan. Ik heb gekeken hoe je lag te slapen. En ik heb ook gehoord hoe je lag te slapen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou, je hebt een keer een scheet gelaten. Maar je hebt voornamelijk gepraat in je slaap. En gekreund.’
‘Wat heb ik gezegd?’
Sanjit deed heel overdreven alsof hij diep moest nadenken om het zich te kunnen herinneren. ‘Nou, het was vooral eugh, mmmm, eunh, eunh, niet doen, eugh… En de scheet was heel eh, keurig. Een beetje als prrt-prrt! Bijna muzikaal.’
Lana staarde hem aan.
Hij huiverde.
‘Heb je het koud?’ vroeg ze.
‘Gewoon een beetje fris. Zo na het wakker worden, weet je wel.’ Hij huiverde nog een keer en sloeg zijn armen om zijn opgetrokken benen.
Ze pakte de bovenste deken, propte hem in elkaar terwijl het zand opvloog en schoof hem naar Sanjit toe. Hij sloeg de deken om zijn schouders.
‘Hoeveel nieuwe doden?’ vroeg ze.
‘Toen we weggingen vijf in totaal.’
Lana boog even haar hoofd en Sanjit zweeg. Toen stond ze op. Ze liep naar het water en trok haar bovenkleding uit. Ze hield alleen haar ondergoed aan.
Toen beet ze op haar tanden en rende de branding in, en zodra het water tot haar knieën kwam dook ze erin. Het was ijskoud. Maar het was schoon. Het waste het bloed en vuil van haar lijf.
Ze spoelde haar mond met zout water.
Toen kwam ze rillend het water weer uit en rende terug naar Sanjit.
‘Je staart,’ zei ze.
‘Ja. Dat klopt. Ik ben een puberjongen. Mooie meisjes in nat ondergoed hebben vaak een starend effect op puberjongens.’
Ze bukte zich, pakte de deken, schudde het zand eraf en sloeg hem om zich heen. Sanjit stond op.
Ze zoende hem op zijn mond.
Een echte zoen.
Hij nam haar natte gezicht in zijn handen en zoende haar terug.
‘Dat was lang niet zo erg als ik had gedacht,’ zei Lana.
En voor deze ene keer, merkte ze tot haar tevredenheid, leek Sanjit met zijn mond vol tanden te staan. Hij keek eigenlijk een beetje misselijk, en alsof hij heel erg van plan was om haar nog een keer te zoenen.
‘Terug naar het ziekenhuis,’ zei ze.
Brittney kwam tot bewustzijn op een smal zandpad. Twee meter hoge muren van aarde en steen sloten haar in, torenden boven haar uit. En boven op die muren loerden coyotes naar beneden, met open bekken waar hun tongen uit hingen.
Jamal stond achter haar en controleerde de draad die haar armen bij de polsen en ellebogen bij elkaar hield.
Haar enkels waren ook vastgebonden, maar met een los touw, zodat ze kleine stapjes kon zetten maar niet kon rennen.
‘Waar zijn we?’ vroeg Brittney.
Jamal haalde zijn ene goede schouder op. ‘Ergens waar Drake wil dat we heen gaan.’ Hij gaapte, keek zenuwachtig op naar de coyotes en gaapte weer.
‘Je moet slapen,’ zei Brittney. ‘Je bent gewond en moe.’
‘Hier?’ Hij lachte verbitterd. ‘Lijkt dit je een goeie plek om een dutje te doen?’
Nee, gaf Brittney zwijgend toe. Deze plek had iets duisters, ook al stond de zon hoog aan de hemel. Het was iets in de lucht. In de blikken van de coyotes. Een duisternis die haar stilgevallen hart binnendrong.
‘Ik wil terug,’ zei Brittney.
‘O ja? Ik ook,’ zei Jamal. ‘Maar als ik dat doe slaat onze Drake mijn vel eraf.’
Hij gaf haar een duw. Ze struikelde toen het touw straktrok rond haar enkel en viel bijna. Maar ze wist haar evenwicht te bewaren en schuifelde verder, niet wetende wat ze anders kon of moest doen.
Wat moet ik doen, Heer, om mijn ware dood en mijn plekje in Uw hemel te verdienen?
‘Dit is een slechte plek, Jamal,’ zei Brittney. ‘Ik voel het.’
‘Ja,’ zei hij. ‘Drake is een slechte jongen, en hij gaat naar slechte plekken. Maar je kunt hem maar beter te vriend houden, dus ik ga gewoon mee.’
Voor een half verwoest gat in een blinde rotswand kwamen ze de kloof uit. Er was net genoeg bleekroze licht om te kunnen zien dat de mijnschacht werd versperd door tonnen naar beneden gestorte rots. De massieve balken die het gat omlijstten waren versplinterd en zagen eruit alsof ze elk moment konden knappen.
Het kwaad dat Brittney voelde, wat het ook was, kwam daaruit, uit dat gat, die berg steen.
‘Waar zijn we?’
‘Bij de mijnschacht,’ zei Jamal. ‘Heb je daar nog nooit van gehoord? Daarbinnen zit het ding waarvan Drake zijn zweep gekregen heeft.’
‘Waarbinnen?’ zei Brittney. ‘Het is helemaal ingestort. Afgesloten.’
‘En dat is waarschijnlijk maar goed ook, hè? Want als dat ding hierbuiten al zo slecht aanvoelt, wil ik niet weten hoe het is als je ervoor staat.’ Hij beet op zijn lip en zei zacht: ‘Als een grote klauw die je hart vasthoudt. Als ijspegels in je hersenen.’
‘Jamal, als je nu vlucht…’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Drake zou wraak nemen. Hoor eens, jij kunt niet gedood worden, of wel soms? En hij ook niet. Wat betekent dat hij me vroeg of laat te grazen zal nemen als ik hem verraad.’
‘Vuur misschien,’ zei Brittney zacht. ‘Misschien kan Gods heilige vuur ons samen vernietigen.’
‘Ja, nou, dat heb ik helaas even niet bij me.’
‘Alleen Sam kan hier een eind aan maken.’
Jamal stak zijn handen omhoog in een wie, ik?-gebaar en zei: ‘Ik vind het best. Als grote Sam Drake wil uitschakelen, zal ik hem niet tegenhouden. Maar ik zal je eens wat zeggen: je remt Drake alleen maar af, meisje. En uiteindelijk gaat er hoe dan ook een confrontatie komen tussen Drake en Sam, denk je ook niet? Dus misschien moet je hem juist een beetje opjutten, als je begrijpt wat ik bedoel.’
Brittney staarde Jamal aan. Was het een list?
Is dit de duivel die me probeert te verleiden?
‘Wat moest je van Drake de duivel doen?’
Jamal knikte naar de grot. ‘Hij zei dat ik hiernaartoe moest. Hij denkt dat-ie met dat ding daarbinnen kan praten. Of in elk geval kan horen wat het zegt.’
Brittney geloofde wel dat dat kon. Hoe kon ze niet geloven in dingen die bovennatuurlijk leken? Haar broertje praatte soms tegen haar in de vorm van een engel. En God was altijd bij haar. Toch?
En zijzelf, dit wanstaltige overblijfsel van het meisje dat ze ooit was, ook zij stond buiten de natuur.
Was Sam de dienaar van de Heer? Het werktuig dat God had gekozen om Brittney te bevrijden? Ze had Sam vaak om bevrijding gesmeekt. Maar zij kende Gods wegen niet. Zijn tijd was niet haar tijd. Zijn wil geschiedde.
‘Wat wil Drake van mij?’ vroeg Brittney.
‘Gewoon, dat je niet de hele tijd probeert te vluchten zodat ik je benen moet vastbinden en jij ons afremt en zo.’
‘Wil hij achter Sam aan? Is dat zijn plan, om achter Sam aan te gaan?’
Ze meende heel even een glimp van huichelachtigheid in Jamals blik op te vangen toen hij zei: ‘Dat is precies wat hij van plan is. Hij wil zo snel mogelijk achter Sam aan, zodra hij op bezoek geweest is bij… je weet wel.’
‘Ga maar slapen, Jamal,’ zei Brittney. ‘Slaap tot Drake terugkomt. Ik zal niet vluchten.’
‘Hoe weet ik dat ik je kan vertrouwen?’
‘Omdat ik het zweer. Ik zweer het op het bloed van het Lam.’
Jamal werd wakker van de pijn toen Drake hem schopte.
‘Wat is er?’
Drake glimlachte zowaar. Het maakte hem er niet aantrekkelijker op.
‘Je lag te slapen,’ zei hij. ‘En ik ben nog bij de mijn.’
Jamal sprong overeind en maakte Drake snel los. ‘Ja, ik heb precies gedaan wat je zei, Drake. Precies wat je zei. Ik heb tegen haar gezegd dat je meteen achter Sam aan zou gaan. En dat Sam jullie dan allebei zou verbranden en…’
Hij slikte toen hij plotseling besefte dat hij misschien te ver was gegaan.
Maar Drake was in een welwillende, euforische stemming. Hij gaf Jamal een klopje op zijn wang met de punt van zijn zweep. ‘Goed gedaan. En ik krijg Sam Temple wel. Vroeg of laat.’
Drake staarde naar de mijnschacht. Wat hij voor de Duisternis voelde deed sterk aan liefde denken. Angst, ja, maar de Duisternis verdiende zijn angst. Zijn angst en zijn toewijding.
Al moest hij de rotsblokken een voor een weghalen, en al deed hij daar weken over, hij zou bij de Duisternis komen en hem bevrijden.
‘Mijn oude lichaam ligt daar,’ zei Drake, en hij besefte dat voor de eerste keer. ‘Mijn oude lichaam ligt daar bij hem.’
Drake voelde opeens een steek van verlangen. Hij wilde zijn lichaam tegen de keien voor de mijnschacht duwen. Het zou hem dichterbij brengen. Misschien zou de Duisternis zich naar hem uitstrekken, zijn geest aanraken, zeggen hoe hij het moest aanpakken.
Maar dat kon hij niet doen waar Jamal bij was.
‘Ik wil dat je die rotsen wegsjouwt,’ zei Drake. ‘Breng ze daar maar heen.’ Hij wees naar een relatief vlak stuk grond. ‘Ik weet niet tot hoe diep die rotsblokken gaan. Het kan wel even duren. Als Biggetje Brittney terugkomt zet je haar ook aan het werk.’
Ze tilden en sjouwden meer dan twee uur lang. Een kruiwagen zou handig geweest zijn. Het zou ook handig geweest zijn als Jamals arm niet gebroken was. Ze moesten elk brok steen, elke verbrijzelde balk optillen. Sommige waren zo groot dat ze allebei een kant moesten dragen. Sommige waren zo groot dat ze er geen enkele beweging in konden krijgen en eromheen moesten lopen.
Na twee uur waren ze ongeveer dertig centimeter de schacht in gedrongen.
Brittney was in die tijd één keer tevoorschijn gekomen en had zonder morren helpen graven. Maar Drake kon zichzelf niet voor de gek houden: zo kwamen ze geen stap verder. Dit zou maanden duren. Jaren. Eindeloos.
De coyotes kwamen af en toe langs om te kijken, en hadden ongetwijfeld trek in Jamal. Dus toen Drake iets hoorde bewegen achter de bocht in de weg, ging hij ervan uit dat het coyotes waren.
Maar dit was niet het vertrouwde, sluipende stap-stap-stap van de coyotes. Het was een geluid vol geklik en plotseling geritsel.
Drake veegde zijn voorhoofd af en draaide zich achterdochtig om naar het geluid.
Het leek op iets uit een sciencefictionfilm. Op een alien of een robot of zo, want het was veel te groot om een gewoon insect te kunnen zijn.
Het was zilver- en bronskleurig en matglanzend. Het had een insectenkop met een grote, knagende bek die Drake deed denken aan een Japanse kok die voor de show met zijn messen zwaaide. De afschuwelijke, kromme kaken van zwart hoorn of been staken uit de zijkant van zijn bek.
Het rook naar curry en ammoniak. Bitter met een zweem gestremde zoetigheid.
Nu kwamen er andere pijlsnel achter de eerste aan gerend. Ze hadden ogen en voelsprieten. De ogen waren hypnotiserend: helderblauwe irissen die bijna menselijk aandeden. Maar zonder een teken van menselijk bewustzijn, menselijke kwetsbaarheid of gevoelens. Als flinters ijs.
Ze trokken sprintjes op zes poten, bleven staan, keken en schoten dan angstaanjagend snel weer verder. Hun doffe zilverkleurige vleugels lagen opgevouwen tegen bronzen pantsers, zoals bij kevers of kakkerlakken. De vleugels kwamen tijdens het rennen soms een beetje omhoog.
Insecten. Zou kunnen. Maar dan wel insecten van minstens anderhalve meter lang en een meter breed, met voelsprieten van dertig centimeter.
Drake keek in de zielloze blauwe ogen van het eerste beest.
Hij stond klaar met zijn zweephand, en Jamal stond klaar met zijn geweer, maar Drake dacht niet dat hij van deze beesten zou kunnen winnen. Het waren er een stuk of tien en ze verdrongen elkaar als mieren rond een mierenhoop of wespen die boos uit een verstoord nest zwermden.
Drake voelde een steek van angst: zou hij het overleven als hij werd opgegeten? Als hij door die malende kaken aan stukken werd geknaagd en doorgeslikt?
Een coyote, die behoedzaam op afstand bleef, sprong naar de bovenkant van de rotsen en begon te praten op die gesmoorde toon die zijn soort verkregen had.
‘Duisternis zien,’ zei de coyote.
‘Zij?’ vroeg Drake. Konden de coyotes en die monsters met elkaar communiceren? ‘Willen ze de Duisternis zien? Best,’ zei Drake. Hij gebaarde met zijn duim over zijn schouder naar de mijn. ‘Ga je gang.’
‘Zij honger,’ zei de coyote.
Drake hoefde niet te vragen wat hij daaraan kon doen. Want nu bereikte dezelfde smerige, slinkse stem die door middel van de coyote had gesproken hem direct; hij raakte zijn gewillige, onderdanige geest aan en overspoelde hem met een diepe, huiveringwekkende vreugde.
Drake deed zijn ogen dicht en wiegde langzaam heen en weer toen hij de aanraking van zijn meester voelde.
Binnenkort zou Drake bij de Duisternis zijn. De Duisternis zou hem alles geven wat hij nodig had. En Jamals taak zat erop.
‘Zeg dan maar dat ze iets moeten eten,’ zei Drake. ‘Sorry, Jamal.’
‘Hè?’ Jamal wachtte tot Drake zou lachen, alsof het een grapje was. Maar Drake glimlachte alleen, gaf hem een knipoog en zei: ‘Jongen, ik had je op een gegeven moment toch wel vermoord.’
‘Nee, nee!’ zei Jamal happend naar adem. Hij deinsde achteruit. Hij draaide zich om en zette het op een lopen.
Het voorste beest richtte zijn staalblauwe, intens geconcentreerde ogen op hem en liet iets naar buiten flitsen wat een tong zou kunnen zijn. Het was zwart, zo dik als een koord, met een punt van weerhaakjes, als een stel vishaken. De tong greep Jamals been en Jamal viel voorover.
‘Drake! Drake!’ gilde Jamal. ‘Alsjeblieft!’
Drake lachte. Hij zwaaide even terwijl het tongkoord Jamal naar zijn ondergang sleurde.
Jamal schoot. bam! bam! bam! Van dichtbij, en toen van nog dichterbij, en toen op een paar centimeter van de weerzinwekkende kop van het beest.
De tong liet hem los en verdween weer in de bek. Toen beten de kromme kaken Jamal doormidden en klonk er geen geweervuur meer, alleen nog een machteloze wanhoopskreet.
De enorme beesten kwamen naar voren, en binnen een paar seconden was Jamal van de aardbodem verdwenen.
Vervolgens stortten de blauwogige monsters zich in een ijltempo op de rotsen; ze duwden ze weg met hun kaken, kwamen overeind op hun vier achterpoten en grepen met hun voorste twee de blokken vast.
Drake voelde dat Brittney terugkwam. Maar dat was niet erg, want nu was zijn Heer en Meester bij hem, de Duisternis, Drakes enige echte God, en Hij vulde zijn hart en zijn ziel.
En Hij liet zich niet tegenhouden.